Symbolen, formules en chemische reactievergelijkingen

De elementen van het periodiek systeem worden in chemische reactievergelijking afgekort.

Enkele voorbeelden zijn:

  • Fe: ijzer
  • C: koolstof
  • Au: goud
  • Pt: platinum
  • Xe: xenon

 

Elk atoom heeft een atoomnummer Z en atoommassa A. Het atoomnummer is gelijk aan het aantal protonen in de kern (en voor een neutraal atoom dus ook aan het aantal elektronen in de mantel). De atoommassa is de som van het aantal protonen en neutronen. Ze worden als volgt afgebeeld op een element X:

\(^{A}_{Z}X\)

 

Is een atoom X niet neutraal, dan wordt zijn lading bijvoorbeeld positieve lading n weergegeven als:

\(X^{n+}\)

 

Een verbinding tussen de atomen A en B wordt genoteerd als volgt:

\(A_{a}B_{b}\)

 

Dit noemen we een molecule. Ze wordt gevormd door een chemische reactie:

\(aA^{b+} + bB^{a-} \rightarrow A_{a}B_{b} + E\)

 

Hier is E de energie die vrijkomt bij deze reactie.

 

Het symbool ‘\(\rightarrow\)’ duidt aan dat dit een aflopende, onomkeerbare reactie is.

 

Het symbool ‘\(\rightleftharpoons\)’ duidt op een omkeerbare reactie of evenwichtsreactie.

 

De elektronegatieve waarde EN van een atoom kan men aflezen in het periodiek systeem. Het staat voor de aantrekkingskracht van een atoom op de bindingselektronen in een molecule. Bijvoorbeeld voor chloor:

\(EN(Cl) = 3.16\)

 

Als de bindingselektronen volledig worden toegewezen aan één van de bindingspartners, kan men de oxidatietrap bepalen. Er geldt dat:

  • OT van H is +I. Dit is bijna altijd waar.
  • OT van O is -II.
  • de som van de OT’s in een molecule is gelijk aan de haar ion-waarde.

 

De reagentia en reactieproducten kunnen in verschillende toestanden of fases voorkomen. Ze worden genoteerd achter de molecule als:

  • vaste stof of neerslag: ‘(s) of ‘\(\downarrow\)’
  • vloeibare stof: ‘(l)’
  • gasvormige stof: ‘(g)’ of ‘\(\uparrow\)’
  • opgelost in water: ‘(aq)’