Smelten en stollen: smeltwarmte

Bij een bepaalde druk heeft elke zuivere stof een bepaalde smelt-en stoltemperatuur. Bij een gelijke druk zijn beide aan elkaar gelijk.

De smeltlijn van een stof wordt geconstrueerd door het verband tussen de temperatuur T en de druk p uit te zetten. Bij een stof die, na smelten, toeneemt in volume, verhoogt de smelttemperatuur als de druk toeneemt. Als het volume na smelten daalt, dan verlaagt de temperatuur bij een stijging van de druk.

De smeltwarmte Q is de warmtehoeveelheid nodig om een massa m van een stof te laten smelten of stollen. Ze wordt berekend door:

\begin{eqnarray*}
Q = m\cdot l_{x}
\end{eqnarray*}

Met \(l_{x}\) een constante die afhankelijk is van de aard van de stof. Deze constante wordt ook wel de soortelijke smeltingswarmte genoemd. Haar eenheid is \(\frac{J}{kg}\).